Als de wereld slaapt, begint voor jou de dag
Het is 03:47 uur. Je wordt wakker. Niet langzaam. Niet omdat je uitgeslapen bent. Niet omdat je lichaam zegt: goedemorgen, het is tijd om op te staan. Nee. Je bent er ineens. Klaarwakker. Je hartslag is hoger dan hij hoort te zijn. Je lichaam staat strak. Misschien voel je spanning in je borst, je buik of je kaken. Misschien is er angst. Maar waarvoor? Je weet het niet. Er is niets gebeurd. De kamer is stil. Het huis is stil. Buiten is het donker. Er is geen gevaar. Maar je lichaam denkt daar anders over.
En dus lig je daar. Wakker. Terwijl de rest van de wereld slaapt. Je bent niet gewoon een slechte slaper. Dat is misschien wel een van de pijnlijkste dingen aan slapeloosheid in combinatie met CPTSS. Van buitenaf lijkt het simpel. Je slaapt slecht. Je moet eerder naar bed. Geen telefoon meer. Geen koffie. Een donkere slaapkamer. Ontspannen. Loslaten. En als dat allemaal niet werkt, lijkt de conclusie al snel te worden:
Dan doe je het blijkbaar niet goed.
Maar bij CPTSS ligt het probleem vaak helemaal niet op het niveau van een verkeerd kussen, een te warme slaapkamer of een gebrek aan discipline. Slaap vraagt namelijk iets heel fundamenteels van je lichaam:
veiligheid.
Om te slapen moet je de controle gedeeltelijk loslaten. Je moet minder alert worden. Je moet accepteren dat je even niet alles in de gaten houdt. Voor iemand wiens zenuwstelsel jarenlang heeft geleerd dat waakzaamheid noodzakelijk was om overeind te blijven, is dat helemaal niet vanzelfsprekend.
Je lichaam heeft ooit geleerd:
wakker blijven is veiliger.
En een zenuwstelsel vergeet zoiets niet zomaar. Dan komt de nacht. Overdag lukt het misschien nog om jezelf bij elkaar te houden. Er zijn dingen te doen. Er is structuur. Er is afleiding. En de avond. Er komt dat moment van de uren waarin je niets meer hoeft te doen, maar waarin je hoofd en lichaam juist alles lijken te gaan doen. Want wanneer de buitenwereld stilvalt, verdwijnen ook veel van de buffers die je overdag helpen. Gedachten worden harder. Lichamelijke sensaties worden duidelijker. Herinneringen kunnen dichterbij komen. En het bed, dat voor een ander misschien veiligheid betekent, kan voor iemand met CPTSS juist kwetsbaarheid vertegenwoordigen. En voor je het weet ben je niet meer bezig met slapen. Je bent bezig met de gevolgen van het niet slapen. Je wilt slapen omdat je uitgeput bent. Maar hoe harder je probeert te slapen, hoe meer je bezig bent met het feit dat je niet slaapt.
Slaaptekort vermindert de capaciteit van het brein om te remmen en te reguleren, terwijl het alarmsysteem juist sterker kan reageren. Bij CPTSS komt dat bovenop een zenuwstelsel dat al langdurig onder druk staat. Dat maakt de dag zwaarder.
In het boek Slapeloosheid & CPTSS beschrijf ik daarom dat de aanpak begint bij het zenuwstelsel. Niet bij het afdwingen van perfecte nachten. Niet bij de belofte dat je na een paar oefeningen weer als een roos slaapt. Er bestaat geen magische reset. Geen knop waarmee je een jarenlang getraumatiseerd zenuwstelsel terugzet naar een toestand die nooit heeft bestaan. Wat wel bestaat, is verbetering. Een lichaam dat langzaam iets minder vaak alarm slaat. Een nacht die iets minder zwaar wordt. Een ochtend waarop je niet iedere keer om vier uur wakker wordt.
Reactie plaatsen
Reacties