Acht figuren van dissociatie bij complex trauma: van afsluiten naar verdwijnen
Waar ben je gebleven? Er zijn mensen die jarenlang functioneren zonder zich werkelijk aanwezig te voelen. Ze staan op, gaan naar hun werk, zorgen voor anderen, voeren gesprekken, doen boodschappen en komen 's avonds thuis. Misschien lachen ze zelfs. Misschien zijn ze succesvol. Misschien merkt niemand iets. Maar ergens onderweg is er iets verdwenen. Niet het lichaam. Niet het vermogen om te functioneren. Maar het gevoel van er werkelijk zijn.
Bij complex trauma kan dissociatie een belangrijke overlevingsreactie worden. Het is geen bewuste keuze om afstand te nemen van de werkelijkheid. Het kan ontstaan wanneer een kind herhaaldelijk wordt blootgesteld aan situaties die te groot, te pijnlijk, te verwarrend of te onveilig zijn om volledig te verwerken. Het kind kan niet zomaar weg. Dus leert het zichzelf gedeeltelijk af te sluiten. Eerst van de wereld. Later soms ook van zichzelf.
Het beeld van acht figuren laat deze ontwikkeling symbolisch zien: een kind dat begint met het afsluiten van afzonderlijke zintuigen en uiteindelijk kan uitkomen bij een volwassen persoon die functioneert, maar zich vanbinnen leeg of afwezig voelt. Het is geen diagnosemodel en geen vast stappenplan. Niet iedereen met complex trauma doorloopt deze acht beelden en dissociatie ziet er bij ieder mens hetzelfde uit. Het is vooral een manier om iets zichtbaar te maken wat voor veel mensen moeilijk onder woorden te brengen is.
1. Het kind dat niets wil zien
Het begint bij de ogen. Een klein kind doet de handen voor het gezicht. Wat er gebeurt is te groot. Te angstaanjagend. Te verwarrend. Kijken betekent erkennen dat het echt gebeurt. Dus ontstaat een eenvoudige maar krachtige strategie: Als ik het niet zie, hoef ik er niets mee. Het kind kijkt naar het bord op tafel. Naar een vork. Naar een vlek in het tafelkleed. Alles behalve naar de gezichten. Wanneer volwassenen denken dat een kind "niet oplet", kan er in werkelijkheid iets heel anders gebeuren. Het kind kan juist extreem alert zijn op wat er om hem heen gebeurt, maar tegelijkertijd proberen bepaalde informatie buiten te sluiten. Wat niet gezien mag worden, verdwijnt echter niet. Het wordt opgeslagen. En soms komt het later terug in het lichaam, in emoties, in herinneringen of in automatische reacties.
2. Het kind dat niets meer wil horen
De volgende stap is het gehoor. Handen voor de oren. Stemmen worden gevaarlijk. Geschreeuw, verwijten, dreiging, maar ook de stilte waarin iedereen wacht op wat er gaat gebeuren. Het kind leert: Luisteren betekent voelen. En voelen kan gevaarlijk zijn. Sommige mensen herkennen dit jaren later nog. Een bepaalde toonhoogte in iemands stem kan onmiddellijk iets laten dichtklappen. Een naam die op een bepaalde manier wordt uitgesproken kan een lichamelijke reactie oproepen voordat iemand begrijpt waarom. Dat is niet noodzakelijk onwil. Het kan een oude beschermingsreactie zijn. De wereld wordt veiliger wanneer het geluid wordt buitengesloten. Maar de prijs is hoog. Want wanneer je leert de wereld niet meer te horen, kan het uiteindelijk ook moeilijker worden om jezelf te horen.
3. Het kind dat niets meer zegt
Daarna komt de mond. De hand ervoor. Spreken is te riskant geworden. Misschien leidt eerlijkheid tot straf. Misschien maakt het de situatie erger. Misschien heeft het kind ooit geprobeerd iets te vertellen en werd er niet geluisterd. Dus wordt zwijgen veiliger dan spreken. De behoeften verdwijnen naar binnen. Grenzen worden niet uitgesproken. Gevoelens worden ingeslikt. En ergens kan een overtuiging ontstaan: Ik mag er niet zijn met wat ik voel en denk. Het zwijgen is dan geen karaktertrek. Het is een strategie. Een manier om de relatie, de veiligheid of het eigen bestaan zo goed mogelijk te beschermen.
4. De puber met de telefoon
Het kind wordt ouder. Handen voor ogen, oren en mond zijn niet langer voldoende. De telefoon biedt een nieuwe mogelijkheid. De blik gaat naar beneden. Scrollen. Swipen. Video's kijken. Berichten controleren. Niet omdat er werkelijk iets belangrijks te zien hoeft te zijn. Maar omdat het scherm voorkomt dat er ruimte ontstaat voor wat vanbinnen voelbaar zou kunnen worden. De telefoon wordt een draagbare vluchtroute. Een manier om aanwezig te lijken terwijl de aandacht al ergens anders is. Dit maakt het beeld zo herkenbaar voor onze tijd. Afleiding is overal beschikbaar. En daardoor hoeft iemand nauwelijks nog alleen te zijn met zichzelf.
5. De tiener met AirPods
Daar komt een tweede filter bij. De oren worden afgesloten. Muziek, podcasts of andere geluiden vullen de ruimte. De echte wereld komt alleen nog binnen wanneer de persoon daarvoor kiest. Dat kan enorm veel rust geven. Voor iemand die voortdurend overprikkeld is of zich onveilig voelt, kan het beheersen van zintuiglijke prikkels tijdelijk een gevoel van controle geven. Maar controle kan ook isolatie worden. Je staat tussen mensen. Je ziet ze. Maar je hoort ze niet. En zij horen jou niet. De muur wordt steeds dikker.
6. De jongvolwassene met de VR-bril
Dan ontstaat een nog diepere vorm van afstand. De VR-bril staat symbool voor een werkelijkheid die volledig kan worden vervangen door een andere. De ogen zien niet langer de kamer waarin het lichaam zich bevindt. De persoon is ergens anders. In een herinnering. In fantasie. In gedachten. Of nergens. Dit kan lijken op momenten waarop iemand midden in een gesprek plotseling merkt dat hij of zij er niet meer werkelijk bij is. Het lichaam zit nog op de stoel. Het gesprek gaat door. Maar de persoon zelf lijkt tijdelijk verdwenen. Achteraf kan soms nauwelijks worden teruggehaald wat er precies is gebeurd. De wereld draait door. Maar de aanwezigheid ontbreekt.
7. De volwassene bij wie het vanbinnen zit
Op een gegeven moment zijn externe hulpmiddelen misschien niet meer nodig. De muur zit inmiddels vanbinnen. De persoon heeft geleerd zichzelf voortdurend te corrigeren, klein te houden en op gevaar te anticiperen. De innerlijke criticus klinkt vertrouwd. Zo vertrouwd dat hij gemakkelijk wordt aangezien voor de eigen stem. Doe maar niet. Dat gaat toch mis. Je bent niet goed genoeg. Stel je niet aan. Maak het niet erger. Wanneer zulke overtuigingen jarenlang aanwezig zijn, kunnen ze onderdeel worden van iemands identiteit. Dit ben ik gewoon. Maar wat als dat niet klopt? Wat als een deel van die innerlijke stem ooit is ontstaan omdat een kind zich moest aanpassen aan een onveilige omgeving? Dan wordt herstel niet alleen een kwestie van minder angst voelen. Het wordt ook een zoektocht naar de vraag: Welke delen van mij zijn werkelijk van mij?
8. De lege volwassene
Het laatste beeld is misschien wel het moeilijkste. Het lichaam is volwassen. Het functioneert. Het doet wat nodig is. Maar vanbinnen voelt het leeg. Iemand kan een volledige dag achter de rug hebben en nauwelijks weten wat er werkelijk is gebeurd. Niet omdat de dag leeg was. Maar omdat de persoon er niet helemaal bij was. Er wordt gewerkt. Er wordt gegeten. Er wordt gelachen. Er worden verantwoordelijkheden gedragen. Maar wanneer iemand vraagt: "Hoe was je dag, echt?" kan het antwoord uitblijven. Niet omdat er niets te vertellen is. Maar omdat er nauwelijks contact is met degene die het heeft meegemaakt. Het gebrek aan voelen wordt uiteindelijk zelf het meest voelbare.
Dissociatie is geen zwakte
Het is belangrijk om één ding heel duidelijk te zeggen. Deze reacties zijn niet ontstaan omdat iemand zwak was. Ze zijn ontstaan omdat een mens probeert te overleven. De oorspronkelijke tekst verwoordt dat krachtig: wat later als afsluiting wordt ervaren, kan ooit een noodzakelijke bescherming zijn geweest. Een kind heeft niet dezelfde mogelijkheden als een volwassene. Het kan vaak niet weg. Het kan niet zelfstandig een andere omgeving zoeken. Het kan niet altijd begrijpen wat er gebeurt. En het kan vaak niet bepalen wie veilig is en wie niet. Dus zoekt het zenuwstelsel andere oplossingen. Niet zien. Niet horen. Niet spreken. Afleiden. Filteren. Weggaan. Verdoven. Internaliseren. En uiteindelijk soms: nauwelijks nog aanwezig zijn. Dat maakt deze reacties begrijpelijk. Maar begrijpelijk betekent niet dat iemand er voor altijd in hoeft te blijven.
De weg terug
Herstel betekent niet dat je jezelf moet dwingen om alles ineens te voelen. Integendeel. Bij complex trauma kan te veel, te snel juist overweldigend zijn. De weg terug kan daarom klein beginnen. Een moment waarop je merkt dat je er werkelijk bent. Een gesprek waarin je niet automatisch wegzakt. Een grens die je voor het eerst uitspreekt. Een emotie die je niet meteen wegduwt. Een moment waarop je je lichaam weer opmerkt. Een telefoon die je bewust even weglegt. Een paar minuten zonder muziek waarin de stilte niet langer alleen maar bedreigend voelt. Een moment waarop je jezelf afvraagt: Is deze stem werkelijk van mij? Dat zijn misschien kleine momenten. Maar ze betekenen iets. Want aanwezigheid komt vaak niet terug als één groot, spectaculair herstelmoment. Het komt in kleine stukjes. Soms bijna onmerkbaar. En soms raak je het weer kwijt. Dat betekent niet dat je terug bij af bent. Herstel bij complex trauma is zelden een rechte lijn. Het kan bestaan uit vooruitgaan, terugvallen, opnieuw beginnen en langzaam ontdekken dat er meer van jezelf aanwezig is dan vroeger.
Waar ben je gebleven?
Wellicht uiteindelijk de belangrijkste vraag achter alle acht figuren.
Niet: Wat is er mis met mij?
Maar: Waar ben ik gebleven?
Het antwoord kan pijnlijk zijn. Maar het kan ook hoop geven. Want wat ooit moest worden weggestopt, hoeft niet voor altijd verdwenen te blijven. Het kind dat zich moest afsluiten, is niet noodzakelijk verdwenen. Het kan zijn dat het nooit de kans heeft gekregen om werkelijk gehoord, gezien en gevoeld te worden.
Het kind dat zich ooit moest afsluiten, mag langzaam weer gezien, gehoord en gevoeld worden.
Reactie plaatsen
Reacties