Vandaag ontdekte ik iets over mijn ouders.
Mijn vader en moeder blijken allebei mogelijk met PTSS te leven.
Geen boosheid, geen verdriet. Alleen verwarring.
Want hoe kijk je naar je eigen jeugd als je opeens een mogelijke verklaring krijgt voor dingen die je altijd gevoeld hebt, maar nooit goed kon plaatsen?
Ik was een stil kind.
Thuis was er weinig ruimte voor emoties. Mijn ouders waren afstandelijk in gevoelens. Ook naar elkaar toe. Als kind heb ik mij vaak afgevraagd of ze wel echt van elkaar hielden, of dat hun huwelijk vooral een manier was om samen verder te gaan. Ik wist het niet.
Wat ik wel wist:
Ik voelde mij niet altijd gezien.
Een cadeau kon veel vervangen aan de buitenkant.
Een nieuwe camera, een nieuw horloge, een nieuwe stereo.
Maar geen enkel cadeau kon vervangen wat ik eigenlijk nodig had:
Een knuffel.
Warmte.
Het gevoel dat iemand naast mij bleef staan wanneer iets pijn deed.
Als kind zocht ik daarom mijn eigen veilige plekken.
Mijn slaapkamer, mijn muziek. De muziek vertelde mij dat ik niet de enige was die dingen voelde die moeilijk uit te leggen waren. De teksten, de instrumenten en de kracht. Het was meer dan muziek. Het was een plek en een thuis.
Later in mijn leven zocht ik soms ook op andere manieren naar verdoving of intensiteit. Alcohol. Seks. Grenzen opzoeken. Werk waarin veel gevaar en menselijk lijden aanwezig was. Lang dacht ik misschien vooral aan wat daar destructief aan was. Nu kijk ik anders. Ik zie ook een jongen die probeerde om te gaan met wat hij niet kreeg. Een jongen die zichzelf moest leren troosten. Een jongen die eigenlijk maar één ding nodig had: liefde.
Die jongen kreeg uiteindelijk iets wat hij toen niet kon weten:
Hij kreeg een leven.
Hij vond de liefde van zijn leven.
Hij heeft fantastische kinderen.
Hij bouwde een gezin waarin warmte wél een plek kreeg.
Dat wat je vroeger hebt gemist, soms juist zichtbaar maakt wat je later zo belangrijk vindt om te geven.
Reactie plaatsen
Reacties