In de jaren dat ik werkte binnen de specialistische psychiatrie kwam ik in veel huizen waar de meeste mensen nooit binnenkomen. Achter voordeuren waar psychische problemen niet iets waren wat je in een krant las of op televisie zag, maar dagelijkse werkelijkheid waren. Huizen waar angst, wanhoop, hoop, liefde, verdriet en uitputting vaak tegelijkertijd aanwezig waren.
Ik ontmoette mensen die worstelden met ernstige psychiatrische aandoeningen, verslavingen en traumatische ervaringen. Mensen die soms volledig vastliepen in het leven en voor wie iedere dag opnieuw een gevecht was. Hun verhalen verdienen gehoord te worden. Hun lijden verdient erkenning. Daar bestaat voor mij geen enkele twijfel over.
Maar wat mij al die jaren ook opviel, was dat er vrijwel altijd meer mensen aanwezig waren in dat verhaal.
Mensen die niet in behandeling waren.
Mensen die geen diagnose hadden.
Mensen die niet voorkwamen in rapportages of behandelplannen.
Mensen die meestal niet werden genoemd wanneer er over herstel werd gesproken.
En toch droegen zij vaak een enorme last.
Ik denk aan ouders die jarenlang leefden tussen hoop en angst. Ouders die zich afvroegen of hun kind ooit nog een stabiel leven zou krijgen. Ouders die zichzelf voortdurend afvroegen of ze iets gemist hadden, iets verkeerd hadden gedaan of iets hadden kunnen voorkomen. Ouders die probeerden sterk te blijven terwijl ze van binnen soms net zo bang waren als hun zoon of dochter.
Ik denk aan partners die langzaam zagen hoe degene van wie ze hielden veranderde onder invloed van psychische klachten. Partners die zich machteloos voelden wanneer woorden niet meer hielpen. Partners die nachtenlang wakker lagen omdat ze niet wisten wat de volgende dag zou brengen. Partners die bleven vechten voor hun relatie terwijl ze tegelijkertijd probeerden zichzelf niet kwijt te raken.
Ik denk aan broers en zussen die opgroeiden in gezinnen waar alle aandacht vanzelf ging naar degene die het slechtst functioneerde. Niet uit onwil van ouders, maar uit noodzaak. Kinderen die leerden zichzelf op de achtergrond te plaatsen omdat er altijd iets urgenter leek te zijn.
Ik denk aan vrienden die bleven komen wanneer anderen waren afgehaakt. Aan buren die een oogje in het zeil hielden. Aan familieleden die steeds opnieuw de telefoon opnamen wanneer er weer een crisis was.
Wat mij daarbij altijd heeft verbaasd, is hoe weinig aandacht er vaak is voor deze groep mensen.
Iedereen vraagt naar degene die ziek is.
Hoe gaat het met hem?
Hoe gaat het met haar?
Slaat de behandeling aan?
Gaat het al wat beter?
Dat zijn belangrijke vragen.
Maar veel minder vaak hoor ik de vraag:
"Hoe gaat het eigenlijk met jou?"
Terwijl juist die vraag soms van onschatbare waarde kan zijn.
Want leven naast psychisch lijden doet iets met mensen.
Het verandert levens.
Het beïnvloedt relaties.
Het beïnvloedt gezinnen.
Het beïnvloedt toekomstplannen.
Soms beïnvloedt het zelfs hoe iemand naar zichzelf en de wereld kijkt.
Ik denk dat veel mensen zich onvoldoende realiseren hoe groot die impact kan zijn. Niet omdat ze ongeïnteresseerd zijn, maar omdat psychisch lijden vaak alle aandacht naar zich toe trekt. De crisis die zichtbaar is, overschaduwt de pijn die minder zichtbaar is. Dat is begrijpelijk. Maar het betekent ook dat veel naasten jarenlang rondlopen met zorgen die nauwelijks worden gezien. In de hulpverlening gebruiken we regelmatig het woord "systeem". We spreken over systeemgesprekken, systeemtherapie en het betrekken van het systeem rondom een cliënt. Dat zijn waardevolle begrippen en belangrijke werkwijzen.
Toch heb ik soms moeite met dat woord. Niet omdat het inhoudelijk onjuist is, maar omdat het zo klinisch klinkt.
Een systeem voelt niets.
Een systeem huilt niet.
Een systeem schrikt niet wanneer de telefoon laat op de avond gaat.
Een systeem ligt niet wakker.
Een systeem vraagt zich niet af of een geliefde morgen nog leeft.
Mensen doen dat.
Mensen van vlees en bloed.
Mensen die liefhebben.
Mensen die hopen.
Mensen die bang zijn.
Mensen die soms uitgeput raken.
Misschien moeten we daarom oppassen dat we achter professionele termen niet vergeten naar de mens te blijven kijken.
Want achter iedere cliënt staat vaak een netwerk van mensen die eveneens geraakt zijn door wat er gebeurt. Niet op dezelfde manier, maar wel diepgaand. Liefde maakt een mens namelijk niet sterker dan verdriet. Liefde maakt een mens juist kwetsbaar voor verdriet. Hoe meer iemand voor je betekent, hoe groter vaak de machteloosheid wordt wanneer je hem ziet lijden. Dat zie ik nog steeds om mij heen.
Ik zie ouders die hun volwassen kind niet loslaten omdat liefde dat eenvoudigweg niet toestaat.
Ik zie partners die blijven vechten voor iemand die soms zelf de kracht niet meer heeft om te vechten.
Ik zie gezinnen die proberen een normaal leven te leiden terwijl er voortdurend zorgen op de achtergrond aanwezig zijn.
En ik zie hoe weinig aandacht er soms voor hen is.
Misschien hoeven we dat niet ingewikkeld te maken.
Misschien begint het met iets heel eenvoudigs.
Met een telefoontje.
Met een kop koffie.
Met een wandeling.
Met een berichtje.
Met een vraag die we misschien veel vaker zouden mogen stellen.
Niet alleen:
"Hoe gaat het met je zoon?"
"Hoe gaat het met je dochter?"
"Hoe gaat het met je partner?"
Maar ook:
"Hoe gaat het met jou?"
Want achter veel mensen die psychisch lijden staan anderen die in stilte een deel van die last meedragen.
Ook zij verdienen het om gezien te worden.
Reactie plaatsen
Reacties