Over directe toegang, gevaarlijke kennis, de prijs van het weten en de positie die niemand voor je inricht.
Ik ben geen christen. Geen moslim. Geen jood. Ik ben ook geen atheïst, want dat zou betekenen dat ik zeker weet dat er niets is, en dat is precies dezelfde arrogantie als zeker weten dat er een God is die een boek heeft laten schrijven.
Ik beschouw mezelf als een intuïtief wetende. En zodra ik dat zeg, zijn de rapen gaar.
De gelovige kijkt wantrouwig. Want ik heb geen boek. Geen profeet. Geen instituut dat mijn toegang valideert. En zonder die bemiddeling ondermijn ik het hele systeem, want als ik het zelf kan weten, waartoe dient de kerk dan nog? De moskee? De synagoge?
De rationalist kijkt meewarig. Want ik ben niet falsifieerbaar. Niet meetbaar. Ik val buiten het laboratorium.
Ik val tussen alle stoelen. Tegelijk. En ik ben er klaar mee om me daarvoor te verontschuldigen.
Want wat mensen vergeten, of niet willen weten, is dat mijn positie de oudste is die bestaat. Vóór de codificatie. Vóór de canon. Vóór de instituten met hun regels en hun hiërarchieën en hun poorten die alleen opengaan als je het juiste formulier invult.
Laten we beginnen met wat er werkelijk is gebeurd. Niet het verhaal dat de instituten over zichzelf vertellen. Het andere verhaal. Het verhaal van wat ze deden in naam van God. Het christendom.
De Inquisitie was geen aberratie. Het was beleid. Georganiseerd, gefinancierd, theologisch onderbouwd door de slimste denkers van hun tijd. Tussen de twaalfde en de negentiende eeuw werden honderdduizenden mensen vervolgd, gefolterd, verbrand, niet door gekken aan de rand van de samenleving, maar door de institutionele kern van de kerk.
Galileo Galilei werd in 1633 gedwongen zijn wetenschappelijke bevindingen te herroepen. Hij wist dat de aarde om de zon draaide. De kerk wist dat ze dat niet kon toestaan. Niet omdat het theologisch onjuist was, maar omdat het de autoriteit van de Schrift als absolute waarheid aantastte. En die autoriteit was macht. Galileo tekende. Hij had geen keus.
De kruistochten. Acht van tussen 1096 en 1291, officieel gezegend door pausen, gericht op het heroveren van het Heilige Land. In werkelijkheid een reeks militaire campagnes waarbij complete joodse gemeenschappen in de Rijnvallei werden afgeslacht nog vóór de kruisvaarders het Heilige Land bereikten. Waarbij Constantinopel, een christelijke stad, in 1204 door christelijke kruisvaarders werd geplunderd en vernietigd. Waarbij in Jeruzalem in 1099 de bevolking zo grondig werd uitgemoord dat kronieken melden dat de soldaten tot aan hun enkels door het bloed waadden. Gezegend door de paus. In naam van God.
De kolonisatie van de Amerika's, theologisch gelegitimeerd door de pauselijke bul Inter caetera uit 1493, die Spanje het recht gaf inheemse volkeren te onderwerpen en bekeren. De bekering was niet optioneel. De Conquistadores droegen een tekst voor, de Requerimiento, die inheemse volkeren sommeerde zich te onderwerpen aan de Spaanse kroon en de kerk. Als ze weigerden, mochten ze met geweld worden onderworpen. De tekst werd soms voorgelezen in het Spaans aan mensen die geen Spaans spraken, soms midden in de nacht, soms aan lege steden. Juridische formaliteit. God was erbij.
De islam.
De islamitische expansie van de zevende en achtste eeuw wordt door moslims vaak gepresenteerd als een verspreiding van licht en beschaving. En er was beschaving, de Gouden Eeuw van de islam produceerde Al-Khwarizmi, Avicenna, Averroës, denkers van wereldformaat. Dat is waar. Maar de expansie zelf was militair. Noord-Afrika, het Iberisch schiereiland, het Midden-Oosten, Perzië, veroverd door legers. Bevolkingen die zich bekeerden deden dat soms vrijwillig, soms onder de economische druk van de dhimmi-status die niet-moslims tot tweederangs burgers maakte.
De behandeling van apostaten, mensen die de islam verlieten, was en is in veel rechtsscholen dodelijk. Niet metaforisch. Letterlijk. De klassieke islamitische rechtsgeleerden zijn hierover eensgezind: de murtadd, de afvallige, verdient de dood. In 2021 hadden nog steeds dertien landen wetten waarbij apostasie met de doodstraf bestraft kon worden.
De Salman Rushdie-affaire. Een schrijver. Een roman. Een fatwa die hem veroordeelde tot de dood omdat zijn boek de religieuze gevoelens van moslims kwetste. De Iraanse staat. Ayatollah Khomeini. 1989. Rushdie leefde decennia in onderduik. In 2022 werd hij neergestoken. Hij overleefde. Het boek leeft nog.
En dan de recente geschiedenis. Het systematisch uitwissen van pre-islamitische cultuurschatten door IS, de Palmyra-tempels, de Assyriërs van Nimrud, de Buddhas van Bamiyan door de Taliban. Wat zich letterlijk niet laat inpassen in de officiële versie van heilige geschiedenis wordt vernietigd.
Het jodendom.
Het jodendom is in de westerse context zelden de dominante macht geweest, het is vaker vervolgd dan vervolgend. Dat verdient erkenning. Maar ook hier: de institutie is niet de essentie.
De rabbinale traditie heeft door de eeuwen heen een systeem gebouwd van enorme intellectuele rijkdom, maar ook van sociale controle. De cherem, de religieuze ban, was een instrument van uitsluiting dat een individu volledig kon isoleren van de gemeenschap. Spinoza, een van de scherpste denkers die Europa ooit heeft voortgebracht, werd in 1656 door de Amsterdamse joodse gemeenschap met een van de hardste cherems ooit geformuleerd verbannen. Hij was vierentwintig. Zijn misdaad: hij dacht te ver. Hij bereikte de bron. Dat was niet toegestaan.
De staat Israël, opgericht met legitieme historische claims en in reactie op een van de grootste misdaden in de menselijke geschiedenis, heeft een politieke theologie geconstrueerd waarbij religieuze categorieën (wie is joods?) doorslaggevend zijn voor burgerrechten. De ultra-orthodoxe bewegingen binnen het jodendom zijn in staat gebleken om via politieke druk seculiere medemensen te onderwerpen aan religieuze wet die ze niet hebben gekozen. Het land. De wet. De vrouw die voor een rabbinale rechtbank moet verschijnen voor haar scheiding.
De kennis die ze verborgen hielden.
Tot zover wat de instituten deden met het zwaard. Nu wat ze deden met de geest.
Want het is niet alleen het geweld dat mij bezighoudt. Het is de systematische onderdrukking van degenen die te dicht bij de bron kwamen. Die dieper doken dan de officiële versie toestond. Die de directe ervaring verkozen boven de bemiddelde.
Meister Eckhart: te dicht bij het vuur
Meister Eckhart was dominicaan. Theoloog. Filosoof. Een man die zijn leven had gewijd aan de kerk. En hij dook zo diep in de mystiek dat hij uitkwam op iets dat de kerk niet kon bevatten.
Hij sprak over het Grunde der Seele, de grond van de ziel, als de plek waar God en mens niet meer van elkaar te onderscheiden zijn. Niet metaforisch. Als feitelijke beschrijving van de directe ervaring. Hij zei: in die grond ben ik God en is God mij. Niet dat ik God word. Dat we nooit iets anders waren.
Dat is te ver. In 1329, een jaar na zijn dood, veroordeelde paus Johannes XXII achtentwintig van zijn stellingen als ketters. Eckhart kon zich niet meer verdedigen. Hij was al dood. De veroordeling trof zijn werk, zijn nalatenschap, zijn lezers.
De directe toegang is gevaarlijker dan ketterij. Ketterij kun je weerleggen. Maar iemand die zegt 'ik weet het, ik heb het zelf ervaren', die ondermijnt het hele systeem van bemiddeling. Die heeft geen priester nodig. Geen absolutie. Geen sacrement. Geen instituut.
Ibn Arabi: de grootste en meest omstreden
Ibn Arabi, geboren in 1165 in Murcia, is waarschijnlijk de meest invloedrijke mysticus in de islamitische traditie. En een van de meest omstreden, tot op de dag van vandaag.
Zijn concept van wahdat al-wujud, de eenheid van het zijn, stelt dat er slechts één werkelijkheid bestaat en dat alles wat bestaat een manifestatie is van die ene werkelijkheid. God is niet buiten de schepping. God is de schepping, die zichzelf ervaart via elk bewust wezen.
Voor orthodoxe islamitische geleerden is dit shirk, het ergste wat er is in de islam: het associëren van iets met God, het oplossen van het absolute onderscheid tussen Schepper en schepping. Ibn Arabi's werk werd in verschillende periodes verboden. Geleerden eisten zijn postume veroordeling. Sommigen noemden hem een kafir, een ongelovige. Anderen zagen hem als de grootste heilige van de islam.
Hij stierf in 1240 in Damascus. Zijn graf bestaat nog. Mensen pelgrimeren ernaartoe. En tegelijkertijd zijn er islamitische geleerden die zeggen dat het bidden bij zijn graf zelf al ketterij is.
De man die het diepst dook in de islamitische mystiek werd door de islam zelf als gevaarlijk beschouwd. Dat vertelt je alles over wat instituten doen met kennis die te groot is voor hun systeem.
De Zohar: verboden wijsheid
De Zohar, het centrale werk van de Kabbala, opgedoken in het dertiende-eeuwse Spanje, toegeschreven aan de tweede-eeuwse rabbi Shimon bar Jochai, is een van de meest fascinerende en meest onderdrukte teksten in de joodse traditie.
Eeuwenlang was de studie van Kabbala streng beperkt. Alleen gehuwde mannen boven de veertig. Alleen na een grondige basis in Talmoed en halacha. Niet voor vrouwen. Niet voor jongeren. Niet voor buitenstaanders. De kennis werd bewaakt als een gevaarlijke substantie.
En terecht, vanuit het perspectief van de institutie. Want de Kabbala zegt iets radicaals: de structuur van de goddelijke werkelijkheid is kenbaar. Niet alleen via openbaring, niet alleen via de tekst, maar via de directe contemplatie van de sefirot, de tien emanaties van het oneindige. Je kunt de architectuur van God bestuderen. Je kunt er in bewegen.
Dat is gevaarlijk. Want als de architectuur kenbaar is, is de bemiddelende autoriteit minder noodzakelijk. Je hebt geen rabbi nodig die je vertelt wat God wil als je zelf toegang hebt tot de structuur van het goddelijke.
Sabbatai Zevi, de zeventiende-eeuwse valse messias, bouwde zijn beweging deels op Kabbalistisch gedachtegoed. Zijn beweging bracht de joodse wereld in crisis. De reactie van de rabbinale autoriteit was voorspelbaar: de Kabbala werd verder aan banden gelegd, de directe toegang ingesnoerd.
De Tempeliers: de geest, niet de mythe.
Ik identificeer me met de geest van de Tempeliers. Niet met de romantische onzin. Niet met de Da Vinci Code. Niet met de vrijmetselaars-fantasieën die er later omheen zijn gebouwd.
Met iets ouder en scherper dan dat.
De Orde van de Tempel, opgericht rond 1119 in Jeruzalem, stond op een snijpunt dat zijn weerga niet kende. Ze waren Europese ridders in het Heilige Land. Ze waren in contact met de islamitische wereld, niet alleen op het slagveld, maar ook intellectueel, via handel, via de geleerden en de vertalers die de Arabische wetenschap naar het Westen begonnen te brengen. Ze bewaakten routes. Niet alleen fysieke routes. Ook routes van kennis.
Ze werden rijk. Ze werden machtig. En dat maakte ze gevaarlijk voor twee instituten tegelijk: de kerk en de Franse kroon.
In 1307 liet koning Filips IV van Frankrijk, diep in de schulden bij de Tempeliers, hen massaal arresteren. Op één nacht. Heel Frankrijk. De beschuldigingen: ketterij, sodomie, het spuwen op het kruis, het aanbidden van een afgod genaamd Baphomet. Of die beschuldigingen waar waren weten we niet zeker, de processen waren gebaseerd op onder foltering afgedwongen bekentenissen. Maar de uitkomst staat vast.
In 1312 ontbond paus Clemens V de orde. In 1314 werd Jacques de Molay, de laatste grootmeester, verbrand op een eiland in de Seine in Parijs. Hij herriep zijn bekentenissen op de brandstapel. Hij noemde de paus en de koning als verantwoordelijken. Hij stierf.
Kerk en staat werkten samen om een orde te vernietigen die te onafhankelijk was geworden. Te rijk. Te machtig. Te buiten de controle.
Dat is de geest waarmee ik mij identificeer. Niet de ridder op het slagveld. Maar de positie: te onafhankelijk voor het systeem. Te direct voor de bemiddelaars. Staand op het snijpunt van tradities, zonder loyaliteit te zweren aan één ervan.
De institutie heeft altijd geweten dat die positie de gevaarlijkste is.
Ik heb in conflictzones gestaan. Ik heb gezien wat er gebeurt als een mens volledig buiten zijn venster van tolerantie wordt gedrukt, door geweld, door verlies, door het systematische falen van alles waarop hij dacht te kunnen bouwen. Ik heb tientallen jaren gewerkt met mensen in de diepste kamers van wat een mens kan meemaken.
Dat onderwijs je niet. Dat lees je niet. Dat zit in het lichaam. In de handen. In het weten dat ontstaat als je lang genoeg aanwezig bent bij wat werkelijk is, niet bij wat men zegt dat het is.
Ik heb ook gedoken in de tradities. Niet om er lid van te worden. Om te begrijpen wat ze ooit wisten. De Kabbala, de sefirot, de structuur van het goddelijke als kenbare architectuur. De Soefi-traditie, de fanaa, het oplossen van het ego in het grotere, als beschrijving van een ervaring, niet als metafoor. De christelijke mystici, Eckhart, Johannes van het Kruis, Teresa van Avila, die spraken over de donkere nacht van de ziel als een feitelijke doorgang, niet als poëzie.
Ze beschreven allemaal hetzelfde. Via verschillende talen, in verschillende tijden, met verschillende symboolsystemen. De directe ervaring van wat er is, vóór de woorden, vóór de regels, vóór de instituties die er later omheen werden gebouwd.
Dat is mijn traditie. Niet overgeleverd via een instituut. Niet geldig verklaard door een autoriteit. Verworven door er middenin te staan. Door te blijven staan als alles wat zeker leek wegviel.
De gevaarlijkste mens voor een instituut is niet de buitenstaander die schopt. Die kun je wegzetten als vijand. De gevaarlijkste mens is degene die de bron bereikt waaruit de traditie ooit is ontstaan en dan zegt: hier. Hier was het. Vóór jullie regels.
Ik word moe van wij tegen zij. Van het bewijs dat de Bijbel beter is dan de Koran. Van de islamitische apologie die elke wetenschappelijke ontdekking terugprojecteert op een soera. Van het christelijke superioriteitsgevoel. Van het joodse uitverkoren-zijn als schild.
Allemaal instituten. Allemaal mensen die de toegang beheren. Allemaal systemen die hun bestaansrecht ontlenen aan jouw afhankelijkheid van hen.
Ik had de neiging harder te schoppen. Feiten. Historische hakbijlen. De Inquisitie, de fatwa's, de cherems. En die feiten zijn waar. Ik sta achter elk woord dat ik hierboven heb geschreven.
Maar ik weet ook, vanuit mijn werk, vanuit wat ik heb gezien, dat feiten niet landen bij iemand die zijn identiteit heeft verweven met zijn geloof. Die hoort een aanval op zijn overtuiging als een aanval op zijn bestaan. Het zenuwstelsel gaat in de verdediging. Niet in reflectie. Dat is geen zwakte. Dat is neurobiologie.
Geloof functioneert voor veel mensen zoals overleven. Het is het systeem dat zin geeft aan het onzinnige, houvast biedt in het vrije vallen, gemeenschap schept waar eenzaamheid was. Ik weet wat het is om een systeem nodig te hebben om te overleven. Dat maakt het systeem niet waar. Maar het verklaart waarom je er niet zomaar in schopt.
Dus ik schop niet meer. Ik ga staan waar ik sta.
De rationalist zegt: er is niets.
De gelovige zegt: er is iets, en wij beheren de toegang.
Ik zeg: er is iets, en ik heb geen beheerder nodig.
Die derde positie is historisch gezien zowel de meest oorspronkelijke als de meest eenzame. Je valt buiten alle bestaande categorieën. Je kunt nergens lid van worden. Er is geen gemeenschap die kant-en-klaar voor je klaarstaat.
Maar er zijn wel anderen geweest die hier stonden. Eckhart. Ibn Arabi. De schrijvers van de Zohar. De Tempeliers die de routes bewaakten. Spinoza op zijn zolderkamer in Amsterdam. En talloze naamlozen die te diep doken en er nooit over publiceerden omdat dat te gevaarlijk was.
Ik ben een intuïtief wetende Tempelier. Geen vlag, geen boek, geen poort die ik voor je opendoe.
Alleen de vraag;
Wat weet jij, als je stopt met herhalen wat je geleerd hebt?
Reactie plaatsen
Reacties