Ergens tussen de afdeling brood en het koelvak gebeurt iets dat steeds normaler lijkt te worden.
Een vrouw loopt door een supermarkt. Niet bellend met haar telefoon aan haar oor. Niet zacht pratend via een oortje. Nee, luid beeld bellend. Haar gesprek galmt door de winkel alsof iedereen automatisch onderdeel is geworden van haar sociale leven. Haar stem vult het gangpad. De mannenstem uit haar telefoon doet vrolijk mee. De halve supermarkt weet binnen twintig seconden meer over hun relatie dan men ooit heeft willen weten. Mensen kijken geïrriteerd op.
Niemand zegt iets.
Tot iemand langsloopt en zegt:
“Schat, stop nou eens met bellen. Wij zijn samen op pad.”
Even stilte.
Dan de mannenstem uit de telefoon:
“Wie is dat en wat doe jij?”
En het antwoord:
precies dezelfde zin terug.
De vlam slaat in de pan.
Veel mensen zullen meteen zeggen:
“Wat kinderachtig.”
“Wat provocerend.”
“Wat onnodig.”
Maar naar mijn mening moeten we een diepere vraag stellen.
Waarom zijn steeds meer mensen publieke ruimtes gaan behandelen alsof zij de enige aanwezigen zijn?
Er was ooit een impliciet sociaal contract.
Je hield rekening met anderen.
Je dempte jezelf enigszins in gedeelde ruimtes.
Je begreep dat openbaar niet hetzelfde is als privé.
Dat contract lijkt langzaam te verdwijnen.
Treinen veranderen in mobiele kantoren.
Supermarkten worden decor voor FaceTime-ruzies.
Wachtkamers veranderen in TikTokstudio’s.
Telefoons staan permanent op speakerstand alsof stilte een mensenrechtenschending is geworden.
En wie daar iets van vindt?
Die is ineens “zuur”, “overgevoelig” of “agressief”.
Maar het probleem zit dieper dan irritatie.
Wat hier zichtbaar wordt, is een cultuur waarin zelfexpressie belangrijker is geworden dan wederzijdse begrenzing.
“Ik voel iets, dus iedereen moet eraan deelnemen.”
Dat is geen vrijheid.
Dat is sociale kolonisatie.
Voor mensen zonder trauma is luid beeldbellen misschien slechts irritant.
Voor mensen met CPTSS kan het iets totaal anders zijn.
Mensen met complexe posttraumatische stress leven vaak met een zenuwstelsel dat voortdurend scant op dreiging, geluid, spanning en onverwachte sociale prikkels. Hyperalertheid is geen karaktereigenschap. Het is een overlevingsmechanisme dat diep in het lichaam is opgeslagen.
Een publieke ruimte is voor veel mensen met CPTSS geen neutrale omgeving.
Het is een voortdurend neurologisch onderhandelingsproces.
Kan ik hier veilig zijn?
Kan ik hier ont-prikkelen?
Moet ik alert blijven?
Waar komt het geluid vandaan?
Escaleert dit?
Moet ik weg?
Luid videobellen klinkt voor veel mensen als achtergrondruis.
Voor een getraumatiseerd zenuwstelsel kan het voelen als een aanval op de mentale ruimte.
Zeker wanneer stemmen plotseling hard binnenkomen, onverwacht emotioneel worden of de omgeving sociaal onvoorspelbaar maken. En toch houden we nauwelijks rekening met die realiteit.
Integendeel. We leven in een samenleving die overprikkeling bijna verheerlijkt.
Altijd geluid.
Altijd schermen.
Altijd bereikbaarheid.
Altijd aanwezigheid.
Altijd méér.
Rust is verdacht geworden.
De opmerking “schat, stop nou eens met bellen” was geen nette grensstelling. Het was satire. Een sociale spiegel.
De grap werkte omdat ze de absurditeit blootlegde:
als iedereen verplicht moet meeluisteren, dan vervaagt blijkbaar ook de grens tussen privé en publiek.
Maar satire heeft een prijs.
Want mensen die grenzeloos gedrag vertonen, ervaren correctie vaak niet als correctie, maar als aanval. Zeker wanneer schaamte publiek wordt gemaakt. Dan ontstaat onmiddellijk territoriumgedrag, machtsstrijd en agressie.
De man aan de andere kant van de telefoon hoorde geen grap.
Hij hoorde een onbekende man die intiem sprak tegen zijn partner.
Het primitieve systeem schiet dan direct aan:
bedreiging, concurrentie, controle verlies.
De escalatie was dus voorspelbaar.
Niet omdat één persoon volledig fout was, maar omdat een cultuur zonder grenzen uiteindelijk botsingen produceert.
Misschien moeten we opnieuw leren wat publieke ruimte eigenlijk betekent.
Niet:
“Ik doe waar ik zin in heb.”
Maar:
“Wij delen deze ruimte samen.”
Dat vraagt soms om zelfbeheersing.
Om zachter praten.
Om een telefoon even weg te stoppen.
Om niet iedere impuls onmiddellijk uit te zenden naar de buitenwereld.
Voor mensen met CPTSS is dat geen luxe.
Dat is medemenselijkheid.
Want een samenleving die geen rekening houdt met sensorische belasting, psychologische veiligheid en publieke rust, maakt uiteindelijk vooral één groep sterker:
de meest luidruchtige mensen.
En ondertussen verdwijnen de gevoelige, getraumatiseerde en overprikkelde mensen steeds verder naar de randen van het openbare leven.
Niet omdat zij niet sociaal zijn.
Maar omdat de wereld steeds minder rekening met hen houdt.
Het is niet dat mensen luid bellen; maar dat stilte nergens meer welkom lijkt.
Reactie plaatsen
Reacties