Het Alledaagse

Gepubliceerd op 3 november 2026 om 13:34

De telefoon die gaat

De telefoon licht op naast je koffiekopje. Een naam die je kent, of juist een nummer dat je niet kent. Het ding trilt een stukje over het hout. Je kijkt ernaar, je ademt in, en dan is het stil. Een gemist gesprek.

Voor de meeste mensen is dat niks. Voor iemand met CPTSS is het een klein drama dat de rest van de dag blijft doorwerken.

Wat een ander ziet
Iemand die niet opneemt en pas na dagen terugbelt, of helemaal niet. Dat komt over als onverschillig of onbetrouwbaar. “Je kunt toch gewoon even opnemen?”

Wat er van binnen gebeurt
Een telefoontje is een onaangekondigd verzoek. Je weet niet wie het is, wat er gevraagd wordt en hoe lang het duurt. Een lichaam dat geleerd heeft om op scherp te staan, reageert voordat je erover kunt nadenken: de borst wordt strak, de adem hoog, de handen koud.

Het bellen zelf is zelden het probleem. Het probleem is het niet weten wat er komt. Daarna volgt de schaamte, en schaamte maakt terugbellen zwaarder. Zo groeit een telefoontje van twee minuten uit tot een berg.

Wat kleins kan helpen

  • Spreek met de mensen die ertoe doen een vaste zin af: “Als ik niet opneem, ben ik er wel. Stuur me een appje, dan bel ik terug.”
  • Kies een vast terugbelmoment, bijvoorbeeld elke dag om vier uur.
  • Sla nummers van instanties op met een naam. “Huisartsenpraktijk” is lichter dan een onbekend nummer.
  • Schrijf voor een belangrijk gesprek drie zinnen op die je wilt zeggen.

Niet opnemen is geen afwijzing van de ander. Het is een manier om jezelf te beschermen.

Dit is een fragment uit mijn boekje Het alledaagse, over CPTSS in de kleine momenten van elke dag.


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.