Soms kom je een vraag tegen die eenvoudig lijkt, totdat je hem werkelijk probeert te beantwoorden.
Wie ben ik?
Niet wat is mijn naam. Niet wat voor werk doe ik. Niet waar woon ik, van wie hou ik of wat heb ik meegemaakt.
Maar echt:
Wie ben ik?
Voor iemand die jarenlang heeft moeten overleven kan dat een behoorlijk ingewikkelde vraag zijn. Want wat als eigenschappen waarvan je altijd dacht dat ze bij jouw karakter hoorden, ooit ook een manier waren om jezelf te beschermen?
Mensen kunnen je sterk noemen omdat je altijd doorgaat.
Betrouwbaar omdat je nooit iemand laat zitten.
Zelfstandig omdat je zelden hulp vraagt.
Zorgzaam omdat je voortdurend oog hebt voor anderen.
Rustig omdat je nauwelijks laat zien wanneer iets je raakt.
Oplettend omdat je iedere verandering in een ruimte onmiddellijk merkt.
Verantwoordelijk omdat jij altijd degene bent die problemen oplost.
Dat kunnen prachtige eigenschappen zijn. Maar soms zit er nog een verhaal achter. Misschien ga je altijd door omdat stoppen vroeger geen mogelijkheid was. Misschien vraag je geen hulp omdat je ooit hebt geleerd dat je alleen op jezelf kunt vertrouwen.
Misschien voel je anderen zo goed aan omdat het vroeger belangrijk was om de stemming van iemand te herkennen voordat die stemming omsloeg. Misschien los je voortdurend problemen op omdat controle je een gevoel van veiligheid geeft. En misschien ben je niet altijd rustig. Misschien ben je vooral heel goed geworden in het verbergen van onrust. Dat betekent niet dat al die eigenschappen nep zijn. Integendeel. Ze zijn van jou. Maar misschien zijn sommige eigenschappen ooit gegroeid op grond waarop vooral overleefd moest worden.
Er is een heel gewone vraag die verrassend moeilijk kan zijn:
Wat wil jij? Waar wil je eten?
Maakt mij niet uit.
Welke film zullen we kijken?
Kies jij maar.
Wil je mee?
Als jij dat gezellig vindt.
Wat wil jij voor je verjaardag?
Ik hoef niets.
Op zichzelf zeggen zulke antwoorden natuurlijk weinig. Maar wanneer je jarenlang vooral hebt geleerd om rekening te houden met anderen, kan je eigen wil steeds zachter zijn gaan klinken. Je voelt eerst de kamer. Dan de mensen. Dan de sfeer. Dan wat er van je verwacht wordt. En ergens helemaal achteraan kom jij. Misschien weet je precies wanneer iemand anders gespannen is, maar merk je nauwelijks wanneer jij moe bent. Je weet wat een ander nodig heeft, maar hebt geen idee waar jij behoefte aan hebt. Niet omdat je geen persoonlijkheid hebt. Misschien heb je gewoon heel lang weinig ruimte gehad om die vraag te stellen.
Je zou denken dat rust vanzelf prettig voelt. Dat hoeft helemaal niet. Wanneer je systeem lang gewend is geweest aan alarm kan stilte vreemd worden. Er gebeurt niets. En juist dát voelt onrustig. Je wacht. Waarop weet je niet precies. Maar ergens verwacht je dat er iets komt.
Een probleem.
Een telefoontje.
Een conflict.
Een tegenvaller.
Iets.
Sommige mensen functioneren daarom opvallend goed tijdens een crisis. Ze weten wat ze moeten doen. Er is een probleem en dat probleem moet opgelost worden. Maar zet dezelfde persoon op een rustige zondagmiddag op de bank en ineens komt de onrust.
Wat moet ik doen? Niets. Ja, maar wat moet ik dán doen? Niets. Dat kan moeilijker zijn dan het klinkt.
Wie ben ik wanneer niemand mij nodig heeft?
Wanneer je lang degene bent geweest die zorgt, regelt, beschermt, luistert en oplost, kan nuttig zijn onderdeel worden van je identiteit. Dan voelt niets doen niet alleen ongemakkelijk. Het kan bijna waardeloos voelen. Want als ik niets voor iemand doe, wat voeg ik dan toe?
Als ik niemand red, wie ben ik dan?
Als ik niet sterk ben, wat blijft er dan van mij over?
Misschien hebben sommige mensen onbewust geleerd dat liefde iets is wat verdiend moet worden.
Door behulpzaam te zijn.
Door beschikbaar te zijn.
Door geen problemen te veroorzaken.
Door sterk te blijven.
Door jezelf een beetje kleiner te maken zodat anderen voldoende ruimte hebben.
Maar wat als jij die ruimte zelf ook mag innemen?
Niet omdat je iets hebt gedaan.
Gewoon omdat je bestaat.
Het zou gemakkelijk zijn om overlevingsmechanismen vervolgens als iets negatiefs te zien. Dat vind ik te eenvoudig. Als jij een pantser hebt ontwikkeld omdat je dat ooit nodig had, heeft dat pantser misschien belangrijk werk verricht. Wantrouwen kan je hebben beschermd. Controle kan voorspelbaarheid hebben gegeven. Afstand houden kan voorkomen hebben dat iemand je opnieuw raakte. Emoties afsluiten kan je door iets heen hebben geholpen wat op dat moment te groot was om volledig te voelen. Altijd doorgaan kan ooit de enige beschikbare mogelijkheid zijn geweest. Waarom zouden we die mechanismen dan haten?
Misschien mogen we er anders naar kijken.
Niet:
Wat is er mis met mij?
Maar:
Waar heeft dit mij ooit tegen proberen te beschermen?
En daarna komt een tweede vraag. Heb ik die bescherming vandaag nog in iedere situatie nodig? Dat is iets heel anders.
Er zit ook een gevaar aan jezelf steeds beter leren begrijpen. Op een gegeven moment kun je overal trauma in gaan zien.
Ik ben graag alleen. Trauma.
Ik ben perfectionistisch. Trauma.
Ik ben zorgzaam. Trauma.
Ik vertrouw mensen niet snel. Trauma.
Ik hou graag controle. Trauma.
Ik ben gevoelig. Trauma.
Maar als alles trauma wordt, waar blijf jij dan? Niet iedere eigenschap is een symptoom. Niet iedere slechte dag is een trigger. Niet ieder conflict is een traumareactie. Niet iedere behoefte aan rust is vermijding. En niet iedere sterke eigenschap hoeft uit ellende verklaard te worden. Misschien ben jij zorgzaam omdat je gewoon een zorgzaam mens bent. Misschien ben je eigenwijs omdat je eigenwijs bent. Misschien hou je van stilte omdat je stilte heerlijk vindt. Misschien is je zwarte humor simpelweg jouw humor. Trauma heeft invloed op een mens. Maar trauma bezit niet automatisch alles wat die mens is.
We praten vaak over herstel alsof ergens een oorspronkelijke versie van onszelf verstopt zit. Ik wil de oude ik terug. Maar wat wanneer je al jong hebt leren overleven? Welke oude ik moet je dan zoeken? Misschien hoeft dat helemaal niet. Misschien gaat herstel niet uitsluitend over terugvinden. Misschien gaat het ook over ontdekken.
Voor het eerst onderzoeken:
Wat vind ík mooi?
Waar word ík blij van?
Wie wil ík dichtbij mij hebben?
Waar ligt mijn grens?
Wat wil ik niet meer?
Wat wil ik juist wel?
Wie wil ik worden?
Misschien hoef je dus niet eindeloos te zoeken naar de persoon die je geweest zou zijn wanneer je nooit iets was overkomen. Die persoon kunnen we niet kennen. Maar de persoon die hier vandaag zit is er wel. Met een geschiedenis. Met littekens. Met bescherming. Met angst. Maar ook met humor, nieuwsgierigheid, liefde, voorkeuren, verlangens en mogelijkheden. Is daarom uiteindelijk niet de belangrijkste vraag:
Wie zou ik zijn geweest zonder mijn trauma?
Laten we voorzichtig een andere vraag stellen:
Wie wil ik vanaf hier zijn?
En misschien ontdek je onderweg iets wat je lange tijd vergeten was. Je overlevingsmechanismen zijn onderdeel van jouw verhaal. Maar ze zijn nooit jouw hele verhaal geweest.
Reactie plaatsen
Reacties